Interview met Herman Brusselmans

Tijd voor wat nostalgie …
Bij het bladeren door wat oude files botste ik op enkele archiefbestanden met materiaal van de schoolkrant waar ik ooit redactielid van was. “Feniks” was een poging van vooral Peter Moerenhout en Jeroen Verbanck, en later ook Thomas Huyghe, Pieter Verbanck, mezelf en ander – eeuh – schoon volk om een duf schoolkrantje van onze middelbare school SVI-Gijzegem wat nieuw leven in te blazen. (Jaja, met alles erop en eraan: stijgerende leerkrachten en veel censuur).
Eén van onze hoogtepunten daar was waarschijnlijk onderstaand interview met Herman Brusselmans, afgenomen door het onvolprezen wc-duikertje, dat ik in volle Ex-drummer drukte vanonder het stof haal …

Flashback naar 1999 …

Op de plee met een BV
Feniks nam Herman Brusselmans onder vuur maar had niet gerekend op diens kogelvrije vest.

Feniks: U bent beroepsmatig schrijver – wat op zich al een unicum lijkt te zijn – en hoewel ik niet zozeer ingewijd ben, meen ik te mogen veronderstellen dat u ook op die inkomsten belastingen moet betalen. Hoe zit dat met de pensioenregeling?
H. Brusselmans: Als je een zelfstandige bent, het pensioen dat je krijgt – als je ooit in pensioen gaat – is 2 keer niks; daar kunt ge ongeveer u sigaretten van kopen. Maar ge kunt privé-pensioenregelingen treffen en ik denk dat ik dat wel doe. De financiële kant, daar hou ik me niet mee bezig; daarom zeg ik “ik denk dat ik dat doe”. Daar houdt mijn vrouw zich mee bezig. Anderzijds; schrijven is niet echt fysieke arbeid; ge kunt gerust schrijven tot wanneer je doodvalt.

Feniks: Stel; u moet kiezen tussen uw vrouw of uw carrière.
H. Brusselmans: Mijn vrouw. De literatuur is belangrijk voor mij, mijn stiel is belangrijk voor mij, maar als je moet kiezen tussen een mens en zoiets als een werk of iets materieels, dan zou de keuze in feite gemakkelijk moeten zijn. Als ik zeg “ik shot liever mijn vrouw buiten dan dat ik stop met schrijven … Kijk, moest mijn vrouw zeggen dat ik moet stoppen met schrijven, dan ga ik zeggen “f*ck ne keer off* natuurlijk. Dan deugt het niet meer tussen ons.

Feniks: In hoeverre heerst er rivaliteit tussen schrijvers en meer nog, tussen veelgelezen schrijvers?
H. Brusselmans: Wat mij betreft geen enkele, ik ben bezig met mijn eigen werk, de rest moet maar zien wat ze doen. Je wordt ook niet geconfronteerd met andere schrijvers aan het werk, dat is bij voetbal anders. Maar als ik zie dat die of die op nummer 1 sta in de top 10, en ik op nummer 2, wat kan mij het schelen? Dat is allemaal bullshit, als je u daarmee al moet bezighouden …

Feniks: Je hebt dus ook geen persoonlijke rivalen?
H. Brusselmans: Neen, ik heb zeer weinig contact met andere schrijvers, ik heb sowieso al weinig contact met mensen. Geen enkele van mijn vrienden in Gent is schrijver. Lanoye en Giphart zijn van Antwerpen en Utrecht, die zie ik wel eens maar een club vormen we nu ook weer niet.

Feniks: U hebt waarschijnlijk al veel interviews weggegeven, bestaan er nog originelere vragen die ze u kunnen stellen?
H. Brusselmans: Uw eerste vraag over dat pensioen, vond ik een redelijk originele vraag [lacht lichtjes], zeker als eerste vraag. Ik denk niet dat mij dat ooit al gevraagd is. Ook die naijver onder schrijvers komt niet echt veel te pas, ge zijt goed bezig, doe zo voort.

Feniks: Is het weggeven van interviews geen tijdverlies of is het door gewenning tijdverdrijf geworden?
H. Brusselmans: Wat is het belang van interviews? In feite; wat ik zeg in een interview staat voor een groot stuk in mijn boeken; Als je alleen interviews zou geven die publicitair interessant zouden zijn, moet je studenten en scholieren afwijzen. Wat kan het mij schelen dat ik in de Feniks sta, ik zal misschien 5 boeken verkopen, maar geen honderd. Maar ik heb zoiets van “Waarom zou ik een interview geven aan ‘De Morgen’ en niet aan de ‘Feniks’?” In sommige periodes sta ik iedereen een interview toe die mij een vraagt, daar kruipt veel tijd in, maar je doet er bepaalde mensen toch een plezier mee.

Feniks: Kan de dood een goede zaak zijn; nemen we nu Kabila als voorbeeld, niet voor hemzelf natuurlijk, maar voor het Congolese volk?
H. Brusselmans: Ja, niet voor hemzelf, dat kun je wel zeggen. Ja, dat kan; wie de pretentie heeft een heel volk te leiden – een volk van miljoenen en miljoenen mensen – moet ten eerste calculeren dat bepaalde mensen daar niet content mee zijn en sommige mensen hem dood willen en dat 1 van die mensen hem dan effectief afknalt. Iemand vermoorden zou niet echt mijn favoriete bezigheid worden, maar de geschiedenis laat nu eenmaal een spoor van vermoorde machthebbers na. Of dat een goeie zaak is voor Congo moeten we afwachten, want zijn opvolger ziet er mij nu ook niet de man uit die het warm water heeft uitgevonden. Hij komt ui dezelfde kliek, dus is de kans groot dat er niets verandert. Dat Adolf Eichmann opgehangen is en dat Göring zelfmoord moeten plegen heeft, is een redelijk goei zaak voor de mensheid, absoluut.

Feniks: Gelooft u in een goddelijk iets?
H. Brusselmans: Neen

Feniks: Kunt u de paus in 2 woorden omschrijven?
H. Brusselmans: Oud en lichtelijk onnozel, dat zijn er 3. Onnozel in die zin dat ge ziet dat die mens klaarblijkelijk niet veel meer capaciteiten bezit dan een kind van 5 jaar. Ge leest wel dat zijn ziekte van Parkinson niet meteen de verstandelijke kwaliteiten schaadt, maar hoe dan ook is het onverantwoord dat een fabriek of land zou geleid worden door iemand die zo ver heen is. Ze hebben natuurlijk ook hun regels, de paus wordt pas vervangen als hij sterft, hij kan niet afgezet worden.

Feniks: Is uw vrouw de eerste censuurcommissie of juist de grootst inspiratiebron?
H. Brusselmans: Ze is een inspiratiebron omdat ze als personage veel in mijn boeken voorkomt. Ze is een archetypisch personage in de zin van ‘de vrouw naast de man’. Verder leest ze mijn manuscripten en ze zegt dan wel eens dat iets niet goed is, meestal negeer ik dat, maar soms ook niet. Maar tenslotte, wie is er hier de schrijver in huis? Ik schrijf en Tania haalt de prutsen van de Delhaize. [Tania komt binnen, blijkjbaar met een vracht boodschappen.]
Tania: Zo hoort het, niet waar?
H. Brusselmans: Ja, zo hoort het [knikt tevreden].

Feniks: Vanwaar uw langharigheid, de kracht van Samsa of als statussymbool?
H. Brusselmans: Vroeger wou ik al altijd lang haar, maar toen mocht ik niet van mijn vader. Toen ik getrouwd was, besefte ik dat hij mij niet meer naar de kapper kon sturen en liet ik het groeien, om hem te kl*ten in feite.
Nu zegt de uitgeverij van het niet af te knippen, omdat dan alle foto’s verouderd zijn. Mijn coiffeur wilt het niet omdat hij zegt: ‘Morgen ga je er spijt van hebben.’
Mijn vrouw zegt ook dat ik het niet mag afdoen, dus laat ik het maar hangen, voorlopig. En los van wat ik ervan vind is het wel een statussymbool en een imago-bepalend element, en dat speelt wel een rol. Maar het belangrijkste punt is dat Tania niet wil dat ik het snij. Ik zou het eigenlijk aan haar moeten vragen waarom. [voegt de daad zelf bij het woord]
Tania: Awel, dat is schoon en sexy.

Feniks: Mensen die voor het eerst een boek van u lezen, lezen ze een naam of omwillen van de reacties?
H. Brusselmans: Ik heb een bepaalde naam die mensen aanzet tot het lezen van een boek, of net niet. Veel mensen kennen mij niet van mijn boeken maar wel van de rest en die zeggen ‘Van die klootzak wil ik nooit een boek lezen, ik kan die niet uitstaan.’ Het omgekeerde is er ook natuurlijk. De naam en het beeld dat mensen van mij hebben, speelt altijd wel een rol bij het kopen van een boek.

Feniks: De meeste leerkrachten Nederlands verwijten u een grootse vulgariteit – en zetten u daarom niet op hun boekenlijst – terwijl de leerlingen u verafgoden. Vanwaar dit generatieconflict?
H. Brusselmans: Wel, omdat de meeste leraren mijn werk niet kennen, anders zou je niet zeggen dat ik een vulgaire schrijver ben, want dat ben ik helemaal niet. Ik gebruik bepaalde woorden, al lang, waar mensen het nog altijd moeilijk mee hebben. Soms lijkt het alsof ik die woorden uitgevonden heb. Waarom ik die woorden – meer dan de schrijvers van nu – niet schuw, en dat vulgair wordt genoemd, heeft ook te maken met een bepaald imago; het feit dat ik die woorden wel eens gebruik op tv; het feit dat ik er inderdaad uitzie als een overjaarse hardrocker; het feit dat mensen niet lezen, maar afgaan op wat ze horen of veronderstellen te horen, ofwel omdat ze slecht lezen.
Integendeel; ik ben een bestrijder van al wat vulgair is.
Als ik lees dat professoren tot en met Bert Anciaux – minister van cultuur – Big Brother een fantastisch programma vinden – wat veel zegt over de maatschappij en hoe relaties bloeien en groeien –, dan zeg ik: ‘Dat zijn dezelfde soort mensen die mij vulgariteit verwijten.’ Dan hebben we gedaan met praten, daar ga ik ook helemaal niet meer tegen in. Als ik personages opvoer die vulgair zijn, is mijn doelstelling helemaal anders dan ‘maar wat plat te zijn’, dan laat ik zien hoe bepaalde mensen spreken en omgaan met mekaar.
Veel hangt af van leraars. Een stimulerende leraar brengt je op een goeie manier kennis bij, maar een andere die gefrustreerd is of zijn werk niet graag doet, of zelf heel weinig kennis bezit van zijn vak, dan krijg je onzin te horen zoals ‘Ik ben een vulgaire schrijver.’
Er is een keerzijde; dat jongeren bijna automatisch fantastisch vinden wat hun leraars of ouders slecht vinden. Wat dat betreft ben ik er niet eens tegen dat leraars beweren dat mijn literatuur niet deugt. Ik besef dat ik een zekere invloed heb.
Bij die campagne van veilig vrijen is het straffe, het cynische dat M. Vogels verklaart “Als Herman Brusselmans dat schrijft, noemen ze het cultuur, dus waarom zou ik het niet op affiches mogen laten drukken?” Maar het punt is dat ik nooit cultuur genoemd werd, juist niet. Nu gaan ze mij als verantwoording gebruiken voor het zelf gebruiken van kut en lul. Dat is de wereld op zijn kop.
Van mij mogen ze dat gebruiken, maar ik sta hier niet te springen omdat ze mijn kut en lul op die affiches gebruiken, ik heb daarvoor gezorgd, dat interesseert mij geen bal.

Feniks: Schrijft u in functie van uw lezers of kan het volk de pot op omdat u weet dat uw boeken altijd wel ergens als een bom zullen inslaan?
H. Brusselmans: Ik schrijf alleszins niet in functie van mij lezers, want wie zijn dat?

Feniks: Iedereen en niemand
H. Brusselmans: Voila; Ik schrijf gewoon wat ik wil, ik ben mijn eigen eerste lezer. Ge kunt geen rekening houden met het publiek.

Feniks: Stel: Ik kom u op straat tegen, kan ik u dan aanspreken als schrijver of eerder als mens?
H. Brusselmans: Dat ligt aan u. Als gij vraagt of ik met een boek bezig ben, dan spreekt ge mij aan als schrijver. Dat vreemde mensen mij aanspreken heeft meestal te maken met het feit dat ik schrijver ben. Waarom zou ik aangesproken worden als niemand mij kent? Sommige mensen spreken andere mensen aan op straat omdat ze ze aantrekkelijk vinden of omdat ze er een koffie mee willen gaan drinken of als het ne neger is en ze op zijn muil willen slaan. Bij mij is dat zelden het geval omdat men mij kent al schrijver of als pipo die op tv geweest is.

Feniks: U moet u constant verantwoorden voor uw boeken en uzelf, begint dat niet tegen te steken?
H. Brusselmans: Dat steekt mij allang tegen. Het feit dat gij die vraag stelt is een bewijs dat ik mij moet verantwoorden. Waarom in Gods naam zou ik me moeten verantwoorden voor wat ik doe? Veel mensen eisen een verantwoording, eigenlijk hoef ik dat niet te pikken. Ik kan wel een visie of motivering geven als men ernaar vraagt, maar dat is altijd wel met de opgeheven vinger dat men ernaar vraagt. Zo van ‘Is dat nodig? En ge weet zeker niet dat je der mensen mee kwetst, enz. So what, so fucking what. Niewaar? [retorisch waarschijnlijk]

Feniks: Wordt die rol ondraaglijk?
H. Brusselmans: Ondraaglijk is dat nooit. Ik weet natuurlijk wel dat ik bepaalde reacties uitlok, iedereen die iets in het openbaar doet – en ik meer dan een ander -, dat weet ik ook wel. Maar ik zoek de confrontatie niet op, ik ga niet op straat verkondigen waarom ik het doe. Ik kom al niet veel buiten, nu ja, in feite wel door die interviews, maar dan heb ik in de hand wat ik daarop zeg. Zolang als ze niet op mijn muil kloppen is er niets mis – ik wil niemand op ideeën brengen.

Feniks: In hoeverre is die rol u opgedrongen?
H. Brusselmans: In grote mate, maar je moet een boek nemen als een boek, vandaar ook die toestand met dat proces. Dat was een karaktermoord, het ging niet over dat boek, maar om mij ook eens terug te pakken. Vandaar dat An Demeulemeester zoveel steun heeft gehad. Ik zit er ook niet mee in dat mensen mij aanpakken want wat over mij al is geschreven is een stapel van 4 meter waarin de goorste beledigingen staan, en dat doet mij ook geen deugd. Ik vecht op een polemische manier; niet door huilend naar een rechter te stappen, in godsnaam.
Daardoor word je op een podium geplaatst waarbij naast bloemen ook veel rotte tomaten naar mij gegooid worden. Je gaat daar op een bepaalde manier mee om en ook dat zorgt weer voor reacties. Ook het feit dat ik niet meer kan schrijven door die processen, of wil schrijven, is een rol die mij opgedrongen wordt.
Ik wil wel duidelijk zeggen, ook in Gijzegem: iedereen die mij een proces aandoet, allemaal goed en wel, maar dat zal u ongelofelijk veel geld kosten. Het proces Guggenheimer heeft de verschillende partijen miljoenen gekost en de advocaten opgeleverd.

Feniks: Het komt er dus op neer men de mens te zeer met de kunstenaar verward?
H. Brusselmans: Ik ben voor een stuk een braaf manneken, angstig ventje en een leuke jongen, en dat uit ook in mijn boeken (maar wordt er weinig uitgehaald), anderzijds zit er een groot stuk van een klootzak in mij, absoluut. Zoals bij iedereen, maar ik heb de middelen en de bereidheid mij heel bloot te geven. Voor hetzelfde geld schrijf ik leuke boekjes, sla ik mijn vrouw iedere dag verrot en dan zou iedereen zeggen dat ik nen toffe was, want mijn boeken zijn tof. Nu laat ik verschillende kanten van mij zien en voor veel mensen is het het gemakkelijkst de meest opvallende eruit te halen. Dat is dan een rondneukende halve zot die aan de drank is, er zijn altijd mensen die opkijken als ik koffie drink omdat die zoiets hebben van “Gij moet me een stuk in u kloten liggen overgeven.”
Terwijl ik al meer dan 7 jaar niet meer drink. Dat staat sinds 1993 in mijn boeken, maar veel mensen vinden dat niet plezierig. Dat vloekt met het beeld van die langharige zot die continu bezopen is en achter de wijven zit.
Ik kan de waarheid vertellen door de ogen van een personage dat niets met mij te maken heeft – Guggenheimer in dit geval – en toch de gevolgen ervan moeten dragen. Ik heb altijd gezegd: “doe Guggenheimer een proces aan”. Dat is absurd natuurlijk, net zo goed als dat hele proces op zich absurd is, net daarom.

Feniks: Zal de cannabislegalisering bij dragen tot het jeugdig gedachtegoed?
H. Brusselmans: Bah, niet (heel spontaan). Ik pleit al 10 jaar voor totale legalisering van drugs, alles. In ’94 of ’95 had ik daarover een discussie op een podium waar mensen te gast waren (zoals op tv een talkshow, maar dan zonder tv) met Johan van de Lanotte – toen minister van binnenlandse zaken – en achter de coulissen gaf die mij in zekere zin gelijk.
Nu kom je aan halfslachtige omschrijveingen als ‘sociaal lastig’ en ‘ge moogt joints paffen maar niet kopen’. Dat is allemaal zeer tegenstrijdig en dat kan opgelost worden door drugs te legaliseren. Dat wil niet zeggen dat je met 4 spuiten heroïne in uw lijf achter het stuur moet kruipen. Ik ben voor legalisering van allerlei producten maar ik ben ook voor 0,0 percentage alcohol in het bloed. Als je nu een paar gram coke koopt en je snuift ze op, dan moet je zelf de gevolgen dragen. Als je achter een auto, eeuh, in een auto kruipt en je rijdt zo high als de sky een kind dood, moet je er ook de gevolgen van dragen.
Ik heb niet de staat, wet of regering nodig die zegt dat als je een fles whisky dringt, ben je zat, dus dat mag nie, enfin, dat mag wel want whisky is legaal, maar las je een spuit heroïne zet heb je problemen. Ik kan aan alle drugs geraken, enfin gij ook, maar bij mij is dat maar een telefoontje – ik ken genoeg mensen – en er ligt hier een kilo coke op tafel. Waarom ligt hier dan ooit een kg coke op tafel? Omdat ik nooit gebruik. Ze zeggen dat het verboden is, maar in feite kan iedereen aan alles geraken. XTC is ook verboden, maar niemand heeft problemen om aan XTC te geraken. Als je de hele drugsshit legaliseert krijgt ge op mondiaal vlak een heel andere situatie wat betreft mondialiteit, want enorm veel criminaliteit is drugsgerelateerd.
Ik weet zelfs niet of ge meer drugsslachtoffers zult hebben. Als heroïne morgen legaal is, gaat gij dan direct naar de apotheker lopen, neen toch?

Feniks: In hoeverre zou dienstplicht de jeugd wat meer discipline kunnen bijbrengen?
H. Brusselmans: Ik heb de laatste tijd inderdaad het gevoel dat de jeugd wat slap is, maar dat is een dwaze uitspraak, want wie is de jeugd?
Het is duidelijk dat de jeugd rondloopt met GSM’s en dat ook verwacht. Ik heb een maat en die heeft 4 kinderen en de oudste (16 jaar) heeft een GSM maar die van 12 wilt nu ook een GSM. En dan heb je zoiets van de jeugd is toch verwend, het gaat ook goed in de economie en iedereen heeft geld en koopt. Ge zijt verplicht om te kopen, als je geen bepaalde wilskracht of visie hebt, moet je kopen want het wordt er zodanig met de voorhamer ingeklopt dat je anders een loser zijt. De jeugd kan daar in feit niet aan doen dat hun ouders zwichten voor het feit dat ze ne GSM willen, maar het zorgt er wel voor dat mensen die op hun 12 veel krijgen, denken dat alles vanzelf gaat. Als je dan een jaar in ’t leger zit en je wordt een paar keer goed afgesnauwd en behandeld als stront, misschien ga je dan eens beseffen dat je niet zo vrij bent. Ge kunt iedereen zoals vroeger dan bij de nonnen en paters op kostschool steken, daar zijn ook een hele boel mensen geschift uitgekomen. Anderen zeggen op latere leeftijd blij te zijn gedisciplineerd opgevoed te zijn.
Ik ben dus niet tegen de afschaffing van de dienstplicht. De jeugd is nu wat slapper of wordt slapper opgevoed, maar nu zijn 1 op 3 ouders gescheiden, bij mij in ‘t 6e was dat bij niemand het geval. Dan krijg je een situatie waarbij een kind tss. 2 vuren zit en dan eens bij de vader gaat en zegt dat ze het van de moeder niet krijgt en dan koopt die vader het wel om die moeder te kloten.
Maar veel wat te maken heeft met kinderen en jonge mensen hangt af van hun omgeving – naast de persoonlijkheid. Niet al te slimme mensen kunnen hun kinderen niet al te slim opvoeden en dan kunt ge geen superkind ontwikkelen. Sommige mensen zouden in feite beter niet kweken. Ik zeg altijd als een soort boutade: “De mensen die het best geschikt zijn om te kweken, kweken niet.” Kijk naar mij.
Door dienstplicht kun je geen interessantere, betere persoonlijkheden ontwikkelen, er is altijd dienstplicht geweest en er kwamen hoe dan ook een hoop idioten uit te voorschijn.

Feniks: Hoe was uw dienstplicht?
H. Brusselmans: Ik was 24 en getrouwd en vond dat debiel dat ik als 24-jarige intellectueel door een beroepssergeant werd afgesnauwd. Ik vatte het anderzijds op als spel, de dienstplicht in vredestijd was zo. Als ge met uw rugzak en een geweer door de bossen kruipt, kunt ge vragen ‘wat lig ik hier te doen?’, maar als ge voor uw tv naar Big Brother kijkt, kun je je hetzelfde afvragen. Ik heb daar weinig last mee gehad, in zekere zin vond ik dat grappig.

Feniks: Kut is aan het ontvaginaën en fuck is aan het ontneuken; in hoeverre maakt u daarvan gebruik en bent u akkoord?
H. Brusselmans: Taal leeft en laat ze maar leven. Het is een feit dat dat woorden zijn rond taboes, dat mocht vroeger niet. Jim Morisson is ooit nog gearresteerd omdat hij op een podium ‘fuck’ zei, nu hoor je dat zelfs uit de mond van oude mensen. Laat de taal maar leven, taal is sterk genoeg om de zwakkelingen te elimineren. De taal is een levend organisme en neemt ook bacteriën en virussen op en meestal is ze sterk genoeg om die zelf te vernietigen.
Sommige dingen halen het, andere dingen niet. Kut en lul wel, hey men van Spillie niet, dat is het interessante aan taal.

Feniks: Hoe hoog schat u uw IQ?
H. Brusselmans: Dat is ooit onderzocht en dat was redelijk hoog, 130 of zo, maar wat stelt dat voor? Stel dat de meting van IQ uitgevonden is door iemand die zelf maar een IQ van 80 had, dan deugd die meting niet echt. Maar, ik ben natuurlijk geen kalf en ik heb zeer veel kennis: ik lees veel dus ik weet veel. Maar zelfs veel weten stelt niets voor, ge weet in feite nog altijd niets. Maar laten we zeggen dat ik redelijk slim ben.

Feniks: Heb u veel geleerd tijdens de lessen Nederlands of bent u gewoon een natuurtalent?
H. Brusselmans: Ik wou veel leren. Niet alleen voor Nederlands, maar ook algebra bv. Ik werd niet genoeg gestimuleerd om te zeggen ik word schrijver, ik had dat pas op 18-19 jaar – toen ik op unief een bibliotheek had waar ik kon vinden wat ik wou. Ik kreeg hier ineens een boekentoren van 5 miljoen boeken, men kon mij niet meer verplichten enkel bepaalde boeken te lezen.
Ik heb altijd interesse gehad voor en besef van de enorme mogelijkheden van taal. Nederlands was altijd wel een vak dat mij interesseerde.

Feniks: Wat is uw grens bij het schrijven? Hebt u die al bereikt of zal u die nooit kennen?
H. Brusselmans: Ik schrijf bepaalde dingen bewust nooit; ik zal nooit iemand persoonlijk afmaken, in tegenstelling tot wat men denkt. Als ik bepaalde mensen aanpak is dat niet per se om wie ze zijn maar wel waarvoor ze staan, wat ermee samenhangt.
De grens ligt bij het vrijblijvende zinloze gebruik van persoonlijke thema’s of anekdotes. Als ik een anekdote vertel is dat puur uit mijn duim gezogen en puur omdat ik er iets mee kan doen.
Mijn privé-leven is even oninteressant als dat van iemand anders. Veel mensen denken dat ik veel autobiografisch schrijf, maar dat is niet waar. Ik heb altijd gezegd dat 80% van mijn schrijven autobiografisch is. Dat is een absurd antwoord op een absurde vraag. Welk deel is dan immers autobiografisch? Ik kan zeggen 80, maar waarom geen 74? Of 16?

Feniks: Hoe groot is uw vrijheidsdrang en waarop fixeert die zich?
H. Brusselmans: Mijn vrijheidsdrang is niet zo groot omdat ik veel vrijheden heb, ik hoef geen drang te hebben voor nog meer vrijheid. Ik heb een zelfstandige job die ik thuis kan uitoefenen, het komt er in feite op neer dat ik bijna doe wat ik wil, wanneer, op welke manier, … Als ge iets hebt, moet je niet meer de drang hebben om nog meer te krijgen. Ik heb natuurlijk geen absolute vrijheid, dat wil ik ook niet. Als ik een podiumoptreden toezeg en ze willen dat ik daar om 8 uur ben, dan ben ik daar om 8 uur. Ik zou mijn eigen haten, moest ik maar om 10 uur toekomen, want ik ben vrij, ik doe dat ook niet. Op dat moment beperk ik in zekere zin mijn vrijheid.
Ondanks het feit dat ik veel potentiële vrijheid heb, ben ik zeer consequent.
Ik heb die vrijheid opgebouwd en langzaamaan opgevuld, ook met onvrijheden. Absolute vrijheid bestaat toch niet. Als er iemand ziek is, of die heeft mij nodig, heb ik ook de vrijheid om te zeggen “kust mijn kloten” en te blijven liggen op de zetel. Dat doe ik ook niet.

Feniks: Hoe staat u tegenover uw eigen tv-optredens?
H. Brusselmans: Meestal ben ik er niet tevreden over, meestal denk ik: “Stel je niet aan, onnozelaar.” Ik vind het ook minder en minder belangrijk. Ik zeg er ook heel veel af. Nu en dan zeg ik 1 toe en doe ik mijn best, maar denk ik achteraf vaak: “Wat zat ik daar te doen?” Ik wil altijd tv-doen of te gast zijn om over mijn boeken te spreken, maar je moet meedoen met een spelletje over je hond, of over man-vrouw-relaties, dat staat allemaal al in mijn boeken. Zelden nemen ze een passage uit mijn boek en begint daar de discussie rond. Neen, ze halen stellingskes uit de flair die al 400 jaar bestaan van ‘spelen meisjes wel met de poppen en jongens met de soldaatjes?’. Waarom doe ik het dan wel? Om toch altijd iets van mijn literaire credo of menselijke credo te laten doorsijpelen in zo’n tv-programma, maar het lukt minder en minder. Zoals bij ‘mannen op de rand van een zenuwinzinking’ moet je je verstand op nul zetten en denken dat zij daarmee moeten scoren en ik daarbij helpen, en soms doe ik dat wel eens omdat ik de producer ken, of de presentator een toffe gast vind. Ik wil wel minder en minder op tv komen en zeker niet met de intentie om mijn gedacht te zeggen.

Feniks: ’t Is niet zo dat ge u als iemand anders voordoet?
H. Brusselmans: Ge zijt automatisch iemand anders en dat hangt af van het soort programma, de camera en het potentieel publiek. Gisteren trad ik op in Diest bij een podiuminterview. Het publiek van mannen op de rand is 12000 keer zo groot als die 120 man van in Diest. Ik kan die mensen zien en ook hun reacties, maar wie zijn die 1,5 miljoen mensen van mannen op de rand?
De mensen in die zaal en gij op mijn zetel, ge zit te luisteren terwijl van die 1,5 miljoen tv-publiek er misschien 1 miljoen zijn die op het moment dat ge iets belangrijks zegt achter een pak chips zijn, of hun vrouw eens bij haar kont grabbelen. Automatisch ga je dan ook anders om met het medium.

Dit was het laatste antwoord van Herman Brusselmans op een door mij [WC-Duikertje] gestelde vraag na overleg met redactieraad en vriendenkring. Het geheel nam 1,5 uur in beslag, vond plaats te Gent in de luisterrijk ingerichte loft van een vermaard beroepsschrijver. Ik dronk cola en rookte geen enkele sigaret – in tegenstelling tot HB zelf -. Ik stond perplex van de jovialiteit, ja zelfs van de menselijkheid, van de persoon in kwestie. Hij is niet het beest dat sommigen in de media van hem maken.
Een groots schrijver sprak tot u, wees vereerd.

Door WC-Duikertje
(oorspronkelijk gepubliceerd in Feniks,
schoolkrant SVI-Gijzegem, 1999
copyright wc-duikertje)